X

Deel uw ervaring



Verzenden

Contact
 
 

Onze botters

EB 24

De botter EB 24 werd in 1916 gebouwd op de werf van Oost in Harderwijk in opdracht van Aart Jansen (Aart van klein Jantje) uit Elburg, voor de prijs van f.1800.

De zeilen werden gemaakt door zeilmaker Groen, eveneens te Harderwijk.

Tot 1932 werd de schuit alleen zeilend gebruikt, maar in dat jaar werd er een T-Ford motor ingebouwd, de motor kostte f.300 en de schroefas en fundatie kostten f.100.

Deze motor werd in 1946 vervangen door een A-Ford, die op zijn beurt in 1961 werd vervangen door een tweecilinder Samofa 2S-108, die 20 pk leverde bij 1.000 omwentelingen per minuut. Deze motor is weliswaar enige keren gerestaureerd maar doet tot op heden nog steeds dienst.

In tegenstelling tot wat de naam zou doen vermoeden, is de Samofa een oer-Hollands product, Samofa staat voor Samenwerkende Motoren Fabrieken te Harderwijk. Deze fabriek werd na de oorlog gesticht door de grote motorenfabrikanten Brons, Bolnes, Industrie en Kromhout om kleine scheepsmotoren te maken van 10 tot 30 pk.

Samofa werd in 1988 overgenomen door Mitsubishi.

De EB 24 is diverse keren gerestaureerd op de scheepswerf van Balk en kreeg drie keer een nieuwe plecht, de boeisels werden vervangen en ook kreeg het achterschip een opknapbeurt.

In 1965 haalden de gebroeders Jansen, die inmiddels hun vader hadden opgevolgd, de mast van de schuit om zo gemakkelijker onder de brug door te kunnen. Zo werd de EB 24 een motorbotter, wat ze bleef tot 1974 toen de gebroeders een stalen kotter kochten.

De oude botter werd gekocht door de vier oprichters van de Stichting tot Behoud van Elburger Botter.

Al gauw bleek dat eigenlijk een volledige restauratie noodzakelijk was. Eerst werd de trog vernieuwd, toen kwamen er nieuwe zwaarden en de originele mast kwam terug van het Zuiderzeemuseum, waaraan deze destijds door de gebroeders Jansen was geschonken.

De volledige restauratie werd gedaan door Rien Lipke in samenwerking met een aantal vrijwilligers in de winter van 1979 en het voorjaar van 1980 en kostte in totaal f.81.800.

Op 18 september 1980 werd de botter door H.K.H. Prinses Margriet feestelijk te water gelaten.

Inmiddels heeft de EB 24, bemand door vrijwilligers van de stichting, honderden passagiers vervoerd op korte en langere tochten, deed zij mee aan wedstrijden en demonstraties en maakte dus ook haar opwachting  bij een zeilevenement in Berlijn!

In de winter 1997/98 kreeg zij bij de werf van Nieuwboer in Spakenburg o.m. een nieuw zeilwerk en in de winter van 1998/99 werd op de eigen werf aan de Oude Bleeksweg door een aantal vrijwilligers het verdere onderhouds- en restauratiewerk verricht.

In het voorjaar van 1999 gaf, op weg naar Spakenburg, de motor op spectalulaire wijze de geest. Er was al geconstateerd dat de schuit in het achterschip erg lekte, maar op deze reis kwam ook de motorbak vol water te staan, kwam het vliegwiel in het water en ontstond er een zogenaamde ‘waterslag’, waardoor de krukas volledig in tweeën brak!

Gelukkig beschikten we over een reservemotor, ook een Samofa, en deze kon redelijk snel worden ingebouwd, zodat de botter het hele seizoen verder weer operationeel was.

Wegens de eerder genoemde lekkage moest de botter toch weer de loods in; het achterste bunschot was volledig verrot. Met behulp van de vrijwilligers werd eerst de motor verwijderd, vervolgens de deken gelicht en het slechte schot gesloopt. Toen kwamen de Spakenburgers het nieuwe schot plaatsen en daarna kon alles weer opgebouwd worden en omdat hij toch binnen lag, werd hij meteen maar gelakt en geschilderd. Klaar voor het vaarseizoen 2000.

De laatste restauratie heeft in 2016/2017 plaatsgevonden. Omdat de hele geschiedenis van de Botterstichting met de EB 24 begon, is zij het vlaggenschip van de stichting.

 

EB 43

De EB 43 werd in 1913 in Huizen gebouwd bij de werf van Schaap in opdracht van Kees van der Poel, bijgenaamd de Koeter, voor een bedrag van f.2800.

Tot 1922 viste zij onder het nummer HZ 62. In dat jaar kocht Willem van Triest (de Taaie) deze botter voor een bedrag van f.2400 en kreeg het nummer EB 43. Willem voer als koopschuit voor zijn broer Aart, die vishandelaar was en kocht op zee met name bot en haring van de vissers. Zo nu en dan haalde hij ook een vrachtje kool uit Broekerhaven voor groentehandelaar Hendrik Binnenkamp. Tussentijds werd er ook met de EB 43 gekuild.

In november 1928 werd de schuit eigendom van Willem’s broer Aart, en Willem werd zetschipper op de EB 43. In december van dat jaar werd de botter van een motor voorzien.

Na de afsluiting van de Zuiderzee verdwenen de haring en de bot en was er geen behoefte meer aan koopschuiten. Voor f.500 kocht Willem de botter terug van Aart.

In 1934 besloten de broers Willem en Jacob van Triest (EB 23) van botter te ruilen, omdat de botter van Willem groter was, moest Jacob f.1100 toegeven.

Omdat de motor nogal eens haperde, besloot Jacob in 1938 door Marinus Zoet een nieuwe motor te laten inbouwen, een 4 cilinder Buick van 20 pk.

In de loop der jaren is de EB 43 een aantal keren onder handen genomen op de werven van Balk (Elburg) en Oost (Harderwijk).

De kuilvisserij vormde het hoofdbestaan, daarnaast werd in span gevist met snoekbaarsdrijfnetten.

Inmiddels was zoon Herman als knecht aan boord gekomen. Nadat Elburg in 1956 werd afgesloten, besloten vader Jacob en zoon Herman de visserij vanuit Harderwijk voort te zetten.

Steeds meer vissers gingen in die jaren over tot de aanschaf van een stalen kotter. In 1960 besloten de Van Triesten deze stap ook te zetten.

De botter werd in 1961 voor f. 6000 verkocht aan een groepje studenten en kreeg Volendam als thuishaven.

In de jaren zestig werd de heer dr. F.J.Th. Wackers uit Amsterdam eigenaar van de EB 43. De heer Wackers was van 1971 - 1974 voorzitter van de Vereniging Botterbehoud.

Door vertrek naar het buitenland werd vanaf 1976 de heer T. van der Stap als contactpersoon opgenomen in de schepenlijst van de Vereniging Botterbehoud.

Vanaf 1984 lag de EB 43 op de werf van Balk. Door een slepend meningsverschil tussen de eigenaar en de werfbaas dreigde de EB 43 als verliezer uit de bus te komen. De schuit lag op het droge weg te kwijnen.

Dat ging het bestuur van de Stichting tot Behoud van Elburger Botters te ver en met een gericht plan en een forse financiële bijdrage van Biohorma BV werd de botter aangekocht en vervolgens gerestaureerd op de werf van Nieuwboer in Spakenburg.

Op 3 mei 1991 werd de EB 43 in aanwezigheid van een groot aantal genodigden, waaronder oud-visser Herman van Triest, opnieuw te water gelaten.

Inmiddels heeft de EB 43 al weer heel wat tochten voor de stichting gemaakt, werd zij in de winter 1997/98 in eigen beheer helemaal opgeknapt en was zij in de zomer van 1998 aanwezig bij ‘Delfsail’!

In de winter van 1999/2000 is de botter in de loods gezet voor onderhoud in eigen beheer. Diverse rotte plekken in het houtwerk worden gerepareerd. In het achterschip komt een nieuw spant aan stuurboordzijde en wordt het hele schip gelakt en geschilderd.

De laatste opknapbeurt van de EB 43 was in 2016/2017,

 

EB 1

In mei 1938 koopt Jan aan ‘t Goor de Marker botter MK 81 voor f.210 van de gebroeders Zeeman te Marken. Deze heren hadden deze botter in 1922 gekocht van Hendrik Stam te Ransdorp (RD 11).

De botter is in 1890 gebouwd, vermoedelijk op de werf van Kok in Huizen.

Van 1912 tot 1938 viste Jan aan ‘t Goor met een grote bons onder het nummer EB 1. Tot 1925 deed hij dat met vreemde knechten, maar vanaf die tijd kwam zoon Hannes aan boord en iets later ook zoon Hendrik de bemanning versterken. Hannes verlaat in 1938 de visserij, vader Jan en zoon Hendrik vissen dan nog samen tot 1950, Hendrik blijft vissen tot 1955 en stopt dan als visser.

De aan ‘t Goors stonden bekend als zeer bekwame ‘hoekwantvissers’, deze visserijvorm was dan ook hun hoofdbestaansbron.

In 1939 en 1941 werd de botter opgeknapt op de werf van Balk en in 1946 volgde een grote beurt op de werf van Van Goor in Monnickendam. Hierbij werden o.m. de huid, de berghouten en de stuiten vernieuwd, kosten f.9.000.

Aanvankelijk werd door de firma Zoet een A-Ford motor ingebouwd, welke in 1951 werd vervangen door een 4-cylinder Dodge.

In februari 1957 wordt de EB 1 verkocht aan A. van den Belt te Oude Wetering (ZH). Deze gebruikte hem voor de pleziervaart, ze kreeg de naam ‘Almere’ en had een tijdje Kampen als thuishaven. In de jaren zestig vinden we de boot terug in Spakenburg. Ze is dan inmiddels voorzien van een roef. Nieuwboer koopt haar voor f.2000, knapt haar wat op en voorziet haar van een nieuwe mast, d.w.z. de oude mast van de HK 127. Vervolgens wordt het schip voor f.8000 verkocht aan de toenmalige burgemeester van Bunschoten.

In 1967 wordt het schip eigendom van P. Brantjes, tandarts te Barneveld. Ze krijgt de naam ‘Willem Eggerts’, naar de in 1885 gebouwde 1.353 ton wegende driemastbark, het eerste ijzeren zeilschip van de Nederlandse vloot.

Via Nieuwboer wordt het in 1972 voor f.16.000 verkocht aan de Duitsers Hartmann Smit en Willy Schlenker. Zij laten het schip opknappen en voorzien van een ijzeren plecht. Vervolgens wordt het verkocht aan een drietal Duitsers, waarvan Eckhart Ritmansperger de uiteindelijke eigenaar wordt. Het toezicht en beheer is in handen van Aart van Diermen te Spakenburg.

In 1992 verkoopt Ritmansperger het schip voor f.15.000 aan de Stichting tot Behoud van de Elburger Botters en wordt daarmee het derde schip van de vloot.

Bij Nieuwboer wordt het schip opgeknapt en weer in oude staat teruggebracht. Eind 1993 komt het schip weer als EB 1 terug in de Elburger haven. In de winter van 1998/’99 wordt het schip gedeeltelijk gerestaureerd op de werf van Nieuwboer te Spakenburg; ze is er dan hard aan toe. Onder meer wordt het vlak vernieuwd, komen er aan bakboord nieuwe spanten en huidplanken. Een volgende winter zal de restauratie worden hervat.

Ook werd de Mercedes-diesel vervangen door een Samofa en werd er weer een ouderwetse keerkoppeling met een grote hendel geplaatst.

‘Hier scheen ons ‘t water ‘t overstromen

en werden wij gedreigd door ‘t

maar Gij deed ons ‘t gevaar ontkomen

verkwikkend ons ter goeder uur’

Dit is de tekst die het deurtje siert, naar een citaat uit Psalm 66. Deze tekst sprak de oude Jaap Westerink uit toen de aan “t Goors in 1938 terugkwamen van een reis waarop een blik benzine in het vooronder in brand vloog en men, wonder boven wonder, zonder noemenswaardige schade aan het vuur ontsnapte.

 

EB 39

De EB 39 is een bons, één van de weinige nog overgebleven schepen van dit type. Dit soort schepen werd in Elburg vroeger veel gebruikt voor de visserij. Ze hebben, in tegenstelling tot de botter, geen kromme steven maar een rechte en zijn qua bouw ook niet echt verwant aan de botter. Ze zijn meer verwant aan de pluut en de hoogaars en stammen eigenlijk af van de punter.

De EB 39 werd in 1913 in opdracht van Johannes Broekhuizen, ‘Hannes de Spierik’, gebouwd bij Schepman in Kampen. Het schip kostte toen compleet f. 1325. Hannes viste voornamelijk met haring- en spieringnetten, kubben en kuil. Hannes vertrok in 1924 naar Emmen, waar hij een groentehandel begon. Zijn broer Gerardus was toen al postbode in die plaats.

De bons werd aanvankelijk nog verhuurd en werd ook wel gebruikt om kool te halen uit Broekerhaven. Op 24 januari 1925 wordt de bons voor f. 1.000 verkocht aan Wijnand Westerink Czn. Deze viste op bot, aal, spiering, garnalen en haring.

In 1937 krijgt het schip een A-Ford motor, geleverd door M. Zoet en ingebouwd op de werf van Oost te Harderwijk.

In 1957 beëindigt Wijnand Westerink de visserij en verkoopt het schip voor f.1.750 als pleziervaartuig aan K. Vlaanderen uit Huizen. Deze noemt het schip ‘De Jonge Pieter’. In 1979 gaat de bons voor hetzelfde bedrag over naar J.R. Olie uit Santpoort.

In 1968 wordt het schip voor f. 2.000 aangekocht door het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Dit museum had al eerder de bonzen EB 45 en EB 67 in bezit, maar deze waren gesloopt omdat men onvoldoende middelen had om de schepen te restaureren.

De EB 39 stond vele jaren naast de hellingschuur bij de Markerhaven van het museum, maar van restaureren kwam het nooit en ook dit schip dreigde volledig in verval te geraken. Om verder verval te voorkomen werd het schip in 1992 overgebracht naar een loods van scheepswerf Stofberg te Enkhuizen. De in 1993 opgerichte stichting ‘De laatste bons EB 39’ ging in dat jaar een bruikleenovereenkomst aan met het Zuiderzeemuseum voor een periode van 10 jaar, stilzwijgend te verlengen met telkens een periode van 5 jaar. De stichting begon met een intensieve fondsenwerfactie om de restauratie te kunnen bekostigen.

Op zaterdag 6 september 1997 arriveerde de EB 39 inElburg, versterkt met een metalen frame op een zandschip van de firma Fernhout uit Zwolle.

Het schip kreeg onderdak in een loods van de firma Papirolux en de restauratie kon beginnen. Deze vond plaats door personeel van scheepswerf Nieuwboer te Spakenburg, onder voortdurend toezicht van Henk Petersen, die zelf ook erg veel werk verzette.

Op 6 september 2001 werd de totaal gerestaureerde bons te water gelaten, een plaatje was het geworden. De bons is sinds 20 december 2005 toegevoegd aan de vloot van de Stichting tot Behoud van Elburger Botters.

EB 68

Jakobus Broekhuizen, 1899-1935, (Hannes de Spierik), zoon van Dirk Broekhuizen (EB 52) en Gerritje Saris, koopt op 1 maart 1915 de botter BU 152 van Wouter Heek in Bunschoten.

De botter kreeg het vergunningnummer EB 68. Het geld voor de aankoop leende hij van zijn oudste zuster Hendrika van de Wetering-Broekhuizen.

Hij viste met botnetten, spieringnetten, haringnetten, kubben en kuil tussen Harderwijk en Schokland. In september 1928 stopte hij met vissen en ging werken bij de tarweverwerkende fabriek Chios in Zaandam.

Vanaf eind 1928 huurt zijn zwager, Jan van Triest, de botter van Kobus. In mei 1930 koopt Jan de EB 68 voor f.300. De botter wordt in 1935 gesloopt.

In 1935 koopt Jan van Triest de HK 129, maar deze wordt in 1936 alweer verkocht. Jan van Triest vist samen met zijn zoon Aart. In 1936 koopt Jan van Wouter Mons uit Enkhuizen de EH 94, die eerder eigendom was van Jan Oldenhof uit Vollenhove en daar viste onder het nummer VN 6.

Deze botter, nu ook weer met het nummer EB 68, had als bijzonderheid dat de waterbalk voor de mast zat. Dat kwam maar bij enkele botters voor. Op het deurtje van het vooronder waren twee krabben geschilderd met de tekst ‘de dingen lopen wonderlijk’.

De botter had een A-Ford motor, die later werd vervangen door een 6 cylinder Dodge motor.

In april 1951 werd de visvergunning van de EB 68 overgeschreven op naam van de zoon Aart van Triest. Na de dood van Jan in 1955 wordt Aart eigenaar. Vanaf 1956 vist Aart op het IJsselmeer.

In 1961 laat Aart een kotter bouwen bij Boomsma in Sneek, met deze kotter vist hij tot 1971 ook onder het nummer EB 68. Daarna werd de kotter verkocht als pleziervaartuig.

Aart schafte een ijzeren schouw aan voor de visserij op de Randmeren. Aarts zoon Jan is nu houder van de vergunning EB 68.

De oude botter werd in 1961 verkocht aan J. de Vin uit Slagharen. Vanaf 1978 was J. Nieuwenhout uit Leeuwarden, stiefzoon van de Vin, de eigenaar. In die tijd kreeg de botter, vanwege de vele kosten, de naam ‘Duitendief’.

In 1981 werd de EB 68 verkocht aan IJsbrand Dijkstra uit Buitenhoogte, vervolgens werd C. van Twillert uit Elburg de eigenaar en deze heeft de botter in bruikleen gegeven aan de Stichting tot Behoud van Elburger Botters.

 

EB 17

De EB 17 Is gebouwd in 1918 in opdracht van Hannes aan ’t Goor. Aan ’t Goor was op dat moment al in het bezit van de EB 27, maar aangezien de familie drie zonen had werd een tweede botter aangekocht. De werf De Haas te Durgendam bouwde de botter voor f. 3.700. De botter werd contant afgerekend, want de familie had de voorafgaande jaren goed verdiend aan het vervoer van arbeiders die van en naar Amsterdam vervoerd moesten worden om de havenarbeiders te vervangen die kort na de eerste wereldoorlog staakten.

Aan ’t Goor viste vanaf 1922 met zijn zoon Gerrit op de EB 17. Hannes en Jan visten op de EB 27. Met de twee botters werd hoofdzakelijk met het hoekwant gevist. Met de drijfnetten vormden de twee botters een span.

De EB 17 werd al voor 1930 voorzien van een hulpmotor. Voor f. 85 werd er een T-Ford motor ingebouwd. Daarmee was de botter een van de eerste schepen van de Elburger vloot die een hulpmotor had. Later is de T-Ford vervangen door een A-Ford.

Toen in 1937 ook de jongste zoon Henk aan boord kwam, visten de aan ’t Goors vrijwel alleen nog met het hoekwant. De beug bestond uit twaalf spleten van 200 haken per dag. In 1948 is er een eerste grote renovatie op de EB 17 uitgevoerd op de werf van Balk in Elburg. Voor totaal 6110 gulden werd de botter weer helemaal opgeknapt.

In 1955 beëindigden de gebroeders aan ’t Goor de visserij in verband met de inpoldering van Oostelijk-Flevoland. De botter werd in 1957 verkocht aan de heer Boonstra uit Leeuwarden om als pleziervaartuig verder te gaan. De botter kreeg de naam Séhoun en had Koudum als thuishaven. Na verloop van tijd kwam de boot stil te liggen en raakte steeds verder in verval.

Jan Willem Stofberg kocht in 1987 de totaal vervallen botter op en bracht haar naar Enkhuizen. De zeven daaropvolgende jaren werd vrije tijd opgeofferd om er weer een mooie schuit van te maken. Op 28 mei 1994 werd de geheel gerestaureerde botter EB 17 feestelijk te water gelaten.

In 1999 verwisselde de botter van eigenaar en ging Theo Kuipers uit Wijdenes met de botter varen. Totdat in 2006 Sjouke Berga uit Elburg de boot weer terug bracht naar haar oorspronkelijke haven. In 2010 vertrok Berga uit het land en verkocht de EB 17 aan de Stichting tot Behoud van  Elburger Botters.

 

EB 29

De EB-29 is op de werf van De Haas in Monnickendam als laatste schip gebouwd voor de familie Van Triest uit Elburg. De botter werd in 1920 opgeleverd en kostte fl. 2.500, exclusief de zeilen. Jan van Triest (1889-1955) heeft vier jaar gevist met de botter en besloot deze in 1924 te verkopen. Hij was ook nog eigenaar van een viswinkel en deze twee dingen samen waren voor hem moeilijk te combineren. De botter bracht nog fl. 1.800 op.

De nieuwe eigenaar werd Andries Fleer uit Lemmer de botter werd omgenummerd naar LE-21. In Elburg werd verteld dat de botter niet erg snel zeilde, maar Andries had al gauw in de gaten wat er aan mankeerde. Nieuwe zwaarden en tuig werden geplaatst en in de eerste de beste wedstrijd tijdens de fameuze Lemmer Kermis Week werd de eerste plaats behaald. In de jaren daarna gevolgd door nog vele eerste prijzen.

In 1947 besloot Andries zijn botter te verkopen om in een aakje verder te vissen, want hout blijft hout en onderhoud is duur en tijdrovend; daar weten wij intussen alles van.

De nieuwe eigenaar werd de familie Kuipers uit Groningen die bij Westerdijk in Eernewoude de botter liet omtoveren tot jacht en tevens het schip omdoopte tot ‘Pieternella’, genoemd naar de oudste dochter van de heer Kuiper. Slechts twee jaar heeft de familie van het jacht genoten, voordat ze haar in 1942 weer verkocht aan werfbaas Kok in Huizen.

Kok op zijn beurt deed ook weer het nodige timmerwerk en verkocht in hetzelfde jaar de botter weer door aan de familie Hulsman in Bloemendaal.

In 1961 werd Jaap Kramer, een bekend jachtarchitect uit Haarlem, eigenaar. Hij heeft vele opknapbeurten en avonturen met het schip beleefd. Een bijzondere ervaring was dat de ‘Pieternella’ aan de basis stond van de chartervaart in Nederland. Kramer en zijn opstapper Wim de Bruin (de uitgever van De Spiegel der Zeilvaart) hebben in die tijd het water dun gevaren.

In 1970 is ze gezonken en er moest weer veel getimmerd worden. De botter werd bij jachtwerf Opzeeland in Haarlem binnen gestald en in afwachting van een zak geld om één en ander te realiseren.

Rond 1980 bond de Elburger botterstichting de strijd aan om de EB-29 terug te kopen. De onderhandelingen over de koop met Jaap Kramer hebben nog wel enige jaren geduurd. Toen de koop in begin 2000 werd gesloten, kreeg de stichting er nog een compleet katoenen tuig bij cadeau. Het schip werd opgehaald en vervoerd naar Elburg, waar ze tot 2010 onder een dekzijl op de Oude Bleek wat lag weg te maffen.

Tijdens de jaren dat de botter buiten heeft gestaan, is bijna al het houtwerk totaal uitgedroogd en verrot. De enige manier waarop de EB 29 weer in volle glorie de golven zou proeven, zou een volledige restauratie zijn. Begin 2011 is daar mee begonnen. Besloten is om het schip in vissermanuitvoering, zoals ze 91 jaar geleden was gebouwd, terug te brengen.

Een werkgroep werd in het leven geroepen onder voorzitterschap van oud-wethouder Gerard van de Velde, om de restauratie tot stand te brengen middels het Leer- werkproject.

Het doel van het Leer- werkproject is meerledig: ten eerste de overdracht van kennis en kunde van het oude ambacht van scheepsrestaurateur- timmerman. Ten tweede mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt weer arbeidsritme op te laten doen. En ten derde stagemogelijkheden bieden aan toekomstige scheepstimmerlui.

Tijdens de botterdagen van september 2012 werd de EB 29 weer in volle glorie feestelijk te water gelaten.

Rabobank Noord Veluwe
van Werven
Wijzonol Bouwverven B.V.
Wivé techniek BV
Pruis schilderwerken BV
Recreatieoord Veluwe strandbad
Salverda bouw
Biohorma
Blaauw perioverf Elburg BV